Pandhouder bevoegd tot aanvragen faillissement

Een pandhouder die mededeling heeft gedaan van zijn pandrecht aan de debiteur van de verpande vordering, is bevoegd die vordering te innen.

Tevens is de pandhouder bevoegd om zo nodig het faillissement van de debiteur aan te vragen. Dit heeft de Hoge Raad op 9 december 2016 beslist. Een op zich logische beslissing wat mij betreft.

De Faillissementswet bepaalt dat de schuldenaar die opgehouden is te betalen, op eigen aangifte of op verzoek van één of meer van zijn schuldeisers in staat van faillissement kan worden verklaard.

Na mededeling door de pandhouder van zijn pandrecht aan de debiteur, is de pandhouder bevoegd nakoming van de verpande vordering te eisen en betalingen in ontvangst te nemen.  Is een vordering nog niet opeisbaar is, dan is de pandhouder ook bevoegd tot opzegging als de vordering daardoor opeisbaar kan worden gemaakt. Na de mededeling door de pandhouder van het pandrecht, kan de pandgever de hiervoor genoemde bevoegdheden alleen nog  uitoefenen met toestemming van de pandhouder of na machtiging door de kantonrechter.

De bevoegdheid tot inning betekent dat de pandhouder zich voor de vordering kan verhalen op het vermogen van de debiteur.  Zo kan de pandhouder de aan de vordering verbonden zekerheden uitwinnen. Maar ook de bevoegdheid tot het aanvragen van het faillissement van de debiteur strekt tot verhaal van de vordering op het vermogen van de debiteur. De pandhouder moet daarom na mededeling van het pandrecht aan de debiteur, ook worden aangemerkt als schuldeiser van die debiteur in de zin van de Faillissementswet. Dit betekent dat de pandhouder ook het faillissement van de debiteur van de verpande vordering kan aanvragen.

Door |2018-03-03T13:54:16+00:00maart 12th, 2017|Blog|0 Reacties