Zorgplicht bank bij derdenbeslag

De rechtbank Amsterdam heeft op 23 november 2016 een vonnis gewezen in een zaak waarin de vraag aan de orde was of de bank naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid een geretourneerde bankgarantie mocht aanvaarden en onmiddellijk daarna geblokkeerde gelden aan een derde mocht uitkeren onder een executoriaal derdenbeslag zonder de schuldenaar te informeren of om goedkeuring te vragen.

De schuldenaar had in 2012 en 2013 ten behoeve van een beslaglegger twee bankgaranties afgegeven ter opheffing van conservatoire derdenbeslagen. De bankgaranties bevatten de bepaling dat daaronder pas getrokken zou kunnen worden nadat een onherroepelijke rechterlijke uitspraak zou zijn overgelegd. Nadat de rechtbank Den Haag op 26 maart 2014 vonnis had gewezen vertrouwde de schuldenaar er dan ook op dat de beslaglegger nog niet onder de bankgaranties zou kunnen trekken. De schuldenaar had namelijk op 20 mei 2014 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag en er was dus nog geen onherroepelijke rechterlijke uitspraak.

Verder had het op 8 april 2014 door beslaglegger onder de bank gelegde executoriaal derdenbeslag, zo mocht de schuldenaar uit de brief van zijn bank van 9 april 2014 afleiden, geen doel getroffen en de bank beschouwde het beslag als opgeheven, aldus die brief.  Niet is gesteld of gebleken dat de bank op enig moment aan de schuldenaar heeft laten weten dat de informatie die zij op 9 april 2014 aan de schuldenaar had verstrekt onjuist was en zij de beslaglegger andere informatie zou hebben verstrekt.

Bij de beoordeling van de zaak heeft de rechtbank Amsterdam betekenis toegekend aan artikel 2 van de Algemene bankvoorwaarden. Daarin is vastgelegd dat de bank bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht dient te nemen en daarbij naar beste vermogen met de belangen van de cliënt rekening dient te houden.

De bank was op grond van de wet gehouden tot uitkering van de onder het executoriale derdenbeslag vallende gelden en had op zich geen verplichting de schuldenaar daarover te informeren. Wel geldt dat de bank als steller van de bankgarantie in opdracht van de schuldenaar, rekening moest houden met de gerechtvaardigde belangen van de schuldenaar. De bank wist dat de schuldenaar er vanuit ging dat onder de bankgaranties slechts een verplichting tot uitbetaling bestond onder de voorwaarde dat een onherroepelijke rechterlijk uitspraak zou worden overgelegd. Voorts wist de bank dat die voorwaarde zou vervallen bij retournering van de bankgaranties, met onder meer als gevolg uitbetaling onder het executoriaal derdenbeslag.

Ook wist de bank, althans moest zij er rekening mee houden, dat de schuldenaar door de brief van de bank van 9 april 2014 in de veronderstelling verkeerde dat het executoriaal derdenbeslag was opgeheven. Onder die omstandigheden moest de bank begrijpen dat het voor de schuldenaar  van groot belang was om geïnformeerd te worden over de retournering van de bankgaranties door de beslaglegger en de door de bank voorgenomen uitkering onder het executoriaal derdenbeslag. Dat het de gewone praktijk van de bank was om een cliënt over de inlevering van een bankgarantie binnen enkele dagen schriftelijk te informeren en slechts via rekeningafschriften naderhand te informeren over de uitbetaling onder een executoriaal derdenbeslag, maakt niet dat de bank onder omstandigheden niet gehouden zou kunnen zijn de schuldenaar tijdiger te informeren over de retournering van de bankgaranties dan na verloop van enkele dagen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het de brief van de bank van 9 april 2014 is geweest die de schuldenaar op het verkeerde been heeft gezet met betrekking tot het voortbestaan van het executoriaal derdenbeslag.

Ook geldt dat de bank geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat zij zo kort, één dag, nadat de bankgarantie was geretourneerd onder het executoriale derdenbeslag heeft uitbetaald. Niet duidelijk is geworden waarom de bank daarmee niet kon wachten totdat zij de schuldenaar over een en ander had geïnformeerd. Dat de bank bij de uitbetaling onder het executoriale derdenbeslag slechts handelde overeenkomstig haar wettelijke verplichtingen is daarvoor geen onvoldoende verklaring. Zij had onder deze omstandigheden niet zonder meer behoren mee te werken aan de inlevering van de bankgaranties zonder de schuldenaar daarover tevoren te informeren.

Tenslotte is niet duidelijk geworden waarom de bank, zoals de wet voorschrijft, niet aan de deurwaarder betaald heeft onder het executoriaal derdenbeslag, maar aan een derde. Aldus heeft de bank de schuldenaar de mogelijkheid onthouden om, nadat zij op de hoogte was gekomen van de uitkering onder het beslag, tijdig doeltreffende maatregelen te nemen.

Het voorgaande betekent dat de handelwijze van de bank in strijd was met hetgeen de bank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid jegens de schuldenaar verplicht was te doen en dat zij tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens de schuldenaar.

 

 

 

Door |2018-03-03T14:12:38+00:00mei 2nd, 2017|Blog|0 Reacties